nummer 21 | 01.05.03 | gelibolu | tur | hein

Slag om Gallipoli

Op 1 mei verlaten we Sofia om naar Turkije te rijden. 1 Mei is in Bulgarije een nationale feestdag en het begin van een week vakantie. Wij vertrekken dus zo vroeg mogelijk om de eventuele drukte voor te blijven. Dat lukt schijnbaar goed, want het is de hele dag rustig op de weg.

De tocht is ongeveer 600 kilometer lang, met een korte omweg door Griekenland, om Euro's in te slaan. Een indrukwekkende reserve aan harde valuta in contanten blijkt toch echt onmisbaar te zijn tijdens deze reis, zeker wanneer je er als zuinige Hollander alles aan doet om met zo min mogelijk Roemeense Lei of Bulgaarse Leva's aan de grens te verschijnen (terugwisselen kost immers altijd geld, zeker in dit deel van Europa, waar de waarde van een valuta ongeveer halveert als je het de grens over brengt). Onze meest schrijnende geldproblemen hadden we aan de Roemeens-Bulgaarse grens, waar we arriveerden met precies genoeg geld om de Bulgaarse wegenbelasting te betalen (en een kleine reserve). We werden echter voortvarend getild aan Roemeense zijde, met een tax voor de stad (waar we even daarvoor met een taartje waren bekogeld), een tax voor het milieu, en een tax voor nog iets, ik weet even niet meer wat. Berooid bevonden we ons in niemandsland, terwijl de gevreesde Bulgaarse roadtax nog moest komen! (Deze wordt berekend op basis van de afstand tussen het punt waar je het land in gaat en het punt waar je het land weer verlaat).


Aan Bulgaarse zijde leek alles echter mee te vallen. De douanier liet ons voor de show een kist op het dak openen. We mochten zelf kiezen welke, dus koos ik die met de kampeermatjes, en niet die met de reserveonderdelen voor de auto. Samen met de douanier bekeken we de inhoud, en ik was oprecht verbaasd over wat we allemaal hebben meegenomen. Onderwijl vertelden we de beste man over wat we de Roemenen allemaal hadden moeten betalen, en zijn schijnbaar oprechte gegrinnik over die ouderwetse Roemenen en hun idiote belastingen gaf ons goede hoop voor het vervolg. Dat bleek onterecht, want na de vriendelijke douanier kwamen een loket voor de roadtax, een loket voor de tax voor het milieu, en als klap op de vuurpijl een tax voor de gezondheid. Uiteindelijk kwamen we één Euro tekort (het officiële Bulgaarse grenswisselkantoor wilde onze laatste resterende Roemeense Lei niet accepteren), en we stuurden Pierre vooruit Bulgarije in, om zich hard te laten naaien door een malafide geldwisselaar


Bijna hadden we dus opgesloten gezeten in niemandsland, met te weinig geld om verder te gaan of om te keren. Met een voorraadje Euro's achter het dashboard gaat dat ons niet meer gebeuren. De euro-sortie naar Griekenland brengt ons terug in de Europese Unie, wat ons beide tot onze eigen verbazing met enige Europees-nationalistische gevoelens vervult. Ons verblijf is echter van korte duur, want na enkele uren staan we aan de Grieks-Turkse grens. Daar spelen we een populair relatiespelletje met een opzichtig als 'geheim agent' uitgedoste ambtenaar. Ik moet vragen beantwoorden, en Pierre moet dezelfde antwoorden geven als hij terugkomt uit het hokje van de customs. We slagen glansrijk, Pierre wordt gecomplimenteerd met zijn gevaarlijke uiterlijk, en we mogen het land in. (Twee dagen later zou Pierre weer worden gewezen op zijn gelijkenis met Patrick Swayze; beide kwalificaties over Pierre 's uiterlijk, gevaarlijk en lijkend op Patrick Swayze, heb ik nu zo vaak gehoord dat ik begin te geloven dat in beide een kern van waarheid zit.) 's Avonds kamperen we op een verlaten camping (no charge), waar we twee dagen blijven om aan het rapport voor ING over Boekarest en Sofia te werken (Boekarest is af, Sofia nog niet).

Nieuwe vrinden

Op de tweede dag is het strandje ineens vol met badende en barbecuende Turken. Een ervan leent mijn zakmes om zijn wijnfles te openen, en nodigt ons uit om mee te eten. Hij blijkt docent Engels te zijn, en is met drie andere docenten, waaronder zijn vrouw, naar het strand gekomen om te relaxen, en om zijn leerlingen te treiteren, die verderop stiekem bier zitten te drinken. Spoedig zitten we achter de kippenvleugeltjes en de gehaktballen, en praten we over Turkije en Europa. Ik probeer het gesprek een beetje optimistisch te houden, maar het is duidelijk dat onze nieuwe vrienden somber zijn over de toekomst, en weinig mogelijkheden zien om hun wensen en ambities te verwezenlijken op basis van de lerarensalarissen waar ze voor werken. Verre reizen maken is er voor hun niet bij, en ik ben oprecht verbaasd als ik merk dat ik al meer van Turkije heb gezien dan zij

 

Na een levendige discussie over de oorlog in Irak (waarin we ons uiterst vredelievend opstellen) en een discussie over de dominantie van Turkse vrouwen (de echtgenotes blijken nauwelijks Engels te verstaan, dus de mannen spreken vrijelijk), nemen we hartelijk afscheid. Pierre en ik pakken de Toyota weer in en nemen de veerboot terug naar het Gallipoli-schiereiland (in het Turks heet het Gelibolu), waar we de slagvelden uit de Eerste Wereldoorlog willen bezoeken. Op de veerboot scheppen we op over de ouderdom van onze Toyota tegen een buschauffeur die een buslading Bulgaren vervoert. Aan de overkant vinden we weer zo'n gratis camping, waar we de nacht doorbrengen. Pierre slaapt buiten, ondanks de roedel zwerfhonden die al de hele avond onze auto omringt, en die ervoor zorgt dat ik alleen nog met Rocco's bijl in de hand de Toyota durf te verlaten. Tot nu toe heb ik ze echter weten te kalmeren door met rustige stem te praten over mijn goede bedoeling, dus ik heb nog niet hoeven hakken. 

De slag om Gallipoli

De volgende dag komen de honden ons om half zeven wekken, dus we zijn op tijd op om de slagvelden te bezoeken. Op 25 april 1915 landden hier 500.000 Britten, Australiërs en Nieuw-Zeelanders, met het doel het Gallipoli-schiereiland te veroveren, de Dardanellen te openen, op te rukken naar Istanbul, en zo de Turken te dwingen zich uit de oorlog terug te trekken. Bovendien zou zo de aanvoer van materiaal naar Rusland via een ijsvrije haven mogelijk worden. De operatie verliep desastreus vanaf de eerste dag, doordat de Australische troepen (de ANZAC's) enkele kilometers noordelijker landden dan was bedoeld. In plaats van een lang strand en een glooiend landschap daarachter vonden ze steile zanderige heuvels, begroeid met taaie struiken, en een klein maar gemotiveerd legertje Turken bovenop.
De Australiërs waren niet minder gemotiveerd, hun land had kort daarvoor de dominion-status bereikt, en ze popelden om te laten zien dat Australië een volwassen natie was geworden. Hun onmisbare bijdrage aan de Britse oorlogsinspanning zou in hun ogen bovendien bewijzen dat de band in het Britse Wereldrijk er één was van gelijkwaardige partners. Die eerste dag trokken ze dus hard van leer, en veroverden ondanks de moeilijke condities ongeveer één kilometer terrein. In de maanden die daarop volgden zouden ze niet veel verder komen dan het gebied dat ze die eerste dag hadden veroverd…

De Britten hadden ook een moeilijke eerste dag: zij landden bij Kaap Helles, veroverden enkele kilometers grondgebied, maar hun opmars stokte door gebrek aan orders en communicatie tussen de eenheden onderling. De landing van de River Clyde bij Kaap Helles liep uit op een regelrechte slachtpartij, door inschattingsfouten tijdens de voorbereiding en de halsstarrige weigering om de landingstactiek aan de onverwachte omstandigheden aan te passen (een karaktereigenschap die ook wel wordt aangeduid als 'heldhaftigheid'). De Britten hadden bedacht dat ze de kruiser River Clyde tot op het strand konden laten varen, waarna de troepen die de landing moesten uitvoeren over een brug van platbodems de laatste meters naar de droge grond konden lopen. De uitgebreide beschietingen die aan de landing vooraf gingen waren echter niet voldoende geweest om Turkse kustverdediging uit te schakelen. Toen de luiken van de Implacable opengingen en de eerste landingstroepen de pontonbrug op renden, openden de Turken het vuur met geweren en mitrailleurs. De Britten op de loopbrug waren natuurlijk een gemakkelijk doelwit en er vielen veel slachtoffers. Daarna ontstond voor de Britten een lastige situatie: het schip was nog vol met troepen die het strand op moesten, maar het regende continu kogels op de loopbrug, de enige route naar het strand. Blijkbaar was er die dag geen alternatief plan, want de Britse commandanten zetten de landing voort, en stuurden de manschappen in groepjes van twee de brug op. De mannen op de brug konden niets anders doen dan rennen voor hun leven, maar volgens ooggetuigenverslagen was er geen doorkomen aan, doordat de doden en gewonden twee tot drie lagen dik op de brug lagen. Slechts een op de twee soldaten bereikte levend het strand. Op andere plekken verliep de Britse landing echter voorspoediger, en aan het eind van de dag waren enkele kilometers terrein veroverd.

Op hun beurt hadden ook de Turken een moeilijke dag. Zij waren verrast door de landing, en hadden te weinig troepen ter plekke om het schiereiland te kunnen behouden. Hun commandant Mustafa Kemal (later Attatürk) wist echter de benodigde tijd te winnen om versterkingen aan te rukken, door met de beperkte hoeveelheid manschappen die hem ter beschikking stond een tegenaanval te organiseren. Met de woorden: 'Ik beveel jullie niet om te vechten, maar om te sterven, opdat versterkingen hierheen kunnen worden gebracht om de vijand te bevechten. Een nieuw leger, een nieuwe commandant zal hier de overwinning behalen' beval hij zijn regimenten een suïcidale tegenaanval in te zetten. Het was echt een hopeloze aanval, die volgens de Turkse geschiedschrijvers door geen van de aanvallers werd overleefd. Maar het was wel voldoende om de Australiërs te doen besluiten eerst maar eens een goede verdedigingslinie te graven voor ze meer terrein zouden veroveren, om eventuele nieuwe tegenaanvallen af te kunnen slaan. De Turken wisten met hun legendarische opoffering de Australische opmars lang genoeg tot staan te brengen om versterkingen aan te voeren, en keerden zo (voorlopig) het lot van hun land. Beide partijen groeven zich in, en een dodelijke loopgravenstrijd ontbrandde, die 200 dagen zou duren. Ten koste van grote verliezen zouden nog heuveltoppen worden veroverd en heroverd, en de Britten zouden nog een derde landing uitvoeren, maar in grote lijnen zou er weinig meer veranderen aan de situatie die op de eerste dag was ontstaan. 


Uiteindelijk zouden de Britten en Australiërs begin 1916 worden geëvacueerd, in een jongensboekachtige operatie die zonder slachtoffers werd uitgevoerd. De meeste manschappen en zoveel mogelijk materieel werden 's nachts van het strand gehaald door marineschepen, terwijl de achterblijvers in de loopgraven als dollen rondrenden om dan weer hier een schot te lossen, dan een eindje verderop een granaat te gooien, om de indruk te wekken dat er nog een heel leger aanwezig was. Wonderwel slaagden de geallieerden in hun opzet, en de evacuatie was een succes. De campagne als geheel daarentegen was een groot fiasco: aan geallieerde zijde vielen meer dan 50.000 doden, en er was niets bereikt.

De belangrijkste functie van Gelibolu vandaag de dag is het in stand houden van de herinnering aan het moment in de wereldgeschiedenis waarop het schiereiland er werkelijk toe deed. Rond Anzac Cove en Kaap Helles liggen tientallen grote en kleine begraafplaatsen, de meeste op of nabij de voormalige frontlinies. Daardoor is goed te zien hoe klein de afstanden zijn waarop alles zich afspeelde, en het is nauwelijks te geloven dat in die beperkte ruimte twee legers van honderdduizenden manschappen tegenover elkaar stonden.


Bij het tekenen van de wapenstilstand in 1918 hebben de Britten, die immers hadden gewonnen, de eeuwigdurende concessie afgedwongen om hun doden op het schiereiland te mogen begraven en herdenken. Het aantal Britse begraafplaatsen en monumenten is zo omvangrijk dat duidelijk merkbaar is dat de Turken in latere jaren wat monumenten ter ere van de Turkse strijders hebben moeten bijbouwen om te voorkomen dat het herdenken een puur Britse aangelegenheid zou worden (en dat er dus meer aandacht zou zijn voor de verliezende invasiemacht dan voor de overwinnende verdedigers). Nu het evenwicht is hersteld, ligt de nadruk op verbroedering. Op het strand bij Anzac Cove staan op een monument troostende woorden van Mustafa Kemal voor de moeders van de gesneuvelde Australiërs, en op de muur van de belangrijkste Turkse begraafplaats staan waarderende woorden van de Britse commandant voor de Turkse soldaat. Maar het allermooist is het monument voor de Turkse militair die in de luwte na een bijzonder gewelddadig treffen met een witte lap zwaaide, uit de loopgraaf klom om in niemandsland een zwaar gewonde Britse kapitein op te rapen en naar de Britse stellingen te dragen.

De boodschap van verbroedering slaat blijkbaar aan bij de hedendaagse Turken, want terwijl we de begraafplaatsen bezoeken vragen verschillende mensen mij hoopvol of ik een Australiër ben. Een jongeman kijkt ronduit teleurgesteld als ik vertel dat ik uit Nederland kom, en samen nemen we de Nederlandse krijgsgeschiedenis door: 'What side was Holland on in WWI?', vraagt hij. 'We were neutral', zeg ik. 'Mmm, and WWII, was Holland attacked by Germany?' 'Yes, we were attacked by Germany, and fought on the side of the allied…' 'Yes, but some Dutch units fought on the side of the Germans! Voluntary SS!'. Tja, dat kan ik moeilijk ontkennen… ik probeer nog toe te voegen dat de reguliere Nederlandse strijdkrachten toch echt aan de zijde van de geallieerden meevochten, maar de jonge Turk schudt me al enthousiast de hand, blij dat hij toch nog een oude vijand heeft ontdekt om mee te verbroederen.

Wat is een gezonde hoeveelheid ambitie?

De slag om Gallipoli is niet alleen interessant om het enorme menselijk drama dat zich heeft afgespeeld op een smalle strook tussen land en zee, maar ook om de manier waarop de Britten besloten aan de desastreus verlopen operatie te beginnen. Daarin speelden de ondernemingszin en de ambitie van één man een grote rol: Winston Churchill, die in de loop van 1914 minister van Marine was geworden. Churchill was er in 1914 al van overtuigd dat het een hopeloze weg zou zijn om een overwinning te forceren aan het westelijk front. Hij wist na maandenlang aandringen zijn collega's in de War Council ervan te overtuigen dat een gewaagde operatie in de Dardanellen Turkije uit de oorlog zou kunnen dwingen, en zo de geallieerden een beslissend krachtvoordeel zou kunnen geven. Over de vraag of dit een terechte overtuiging was kunnen we nu alleen speculeren, maar er zijn historici die tot de conclusie komen dat Churchill's karakter minstens zo'n belangrijke rol speelde als een rationele afweging van de strategische winst en de risico's van de operatie. 

 

Churchill's ambitie, dadendrang, bemoeizucht en grote mond hadden namelijk in mijn ogen legendarische proporties. Door zijn tijdgenoten werd zijn onbescheiden gedrag gezien als grenzend aan het toelaatbare, en ook in de huidige tijd zouden zijn openlijk geuitte ambities niet worden geapprecieerd. (Fortuyn's "Let maar op! Ik word de nieuwe minister-president van dit land", had een regelrechte Churchill-imitatie kunnen zijn, compleet met licht kraaiend stemgeluid). Toch getuigt zijn gedrag naar mijn smaak van een zeer bewonderenswaardige vastberadenheid om steeds daar te zijn waar de geschiedenis zich ontrolt, en een bijdrage te leveren die er toe doet. Churchill koos altijd het toneel waarop zijn optreden het meeste impact zou hebben, eerst militair, later politiek. Menig timemanagementgoeroe zou hem respecteren om de wijze waarop hij zijn prioriteiten koos, en de acties ondernam om zijn doelen te bereiken (inclusief de beslissing om andere activiteiten en beslissingen te laten vallen).

 

Enkele voorbeelden

Na zijn afstuderen van de militaire academie, eind negentiende eeuw, kreeg Churchill het commando over een eenheid die in het huidige Pakistan een groep opstandige stammen in het gareel moest brengen. Niet lang na zijn aankomst luwde echter de strijd, en Churchill begon zich al gauw te vervelen. Toen begin twintigste eeuw de Boerenoorlog uitbrak in Zuid-Afrika, benoemde Churchill zichzelf als militair journalist. Hij droeg het commando over zijn eenheid over, en reisde naar Zuid-Afrika, en vervoegde zich aan het front. Daar ging hij mee op patrouilles, reed voorop in charges, bemoeide zich met de tactiek, en schreef daarnaast stukjes voor de Britse dagbladen.
In 1914 had Churchill zijn militaire en journalistieke carrière inmiddels ingeruild voor een zetel in het parlement. Bij het uitbreken van de oorlog vond hij de discussies in het Lagerhuis echter te weinig bijdragen aan het winnen van de strijd. Hij verliet zijn zetel, stapte op een boot naar België, en meldde zich aan het front nabij Ieper. Daar nam hij het commando over een eenheid die verwikkeld was in de loopgravenstrijd. Na enkele maanden zag hij echter in dat zijn bijdrage aan de overwinning op het westelijk front verwaarloosbaar zou zijn, en op aandringen van zijn politieke collega's keerde hij terug naar Engeland om zitting te nemen in een nieuw kabinet. Na enig gesteggel wist hij een plekje in de War Council te veroveren, als minister van Marine.


Geheel in lijn met zijn karakter was Churchill er al gauw van overtuigd dat alleen de Britse marine (onder zijn commando) de doorslag zou kunnen geven in de oorlog. Het plan om de Dardanellen af te dwingen kan dan ook gedeeltelijk worden toegeschreven aan Churchill's onophoudelijke ambitie om het lot van Groot Brittanië persoonlijk te keren (waar hij uiteindelijk in zou slagen). In eerste instantie dacht hij dan ook dat de marine het wel alleen af zou kunnen; de landingen op Gallipoli waren een concessie die door de overige leden van de War Council was afgedwongen.


Het debacle van de Gallipoli-operatie had het politieke doodvonnis kunnen zijn voor Winston Churchill, maar zover kwam het niet. Hij was weliswaar gedwongen af te treden als minister van Marine, maar kon in de jaren '20 al terugkeren in het kabinet. Wel bleef de Dardanellen-operatie voor de rest van zijn leven een gevoelige snaar: hij wilde er niet over praten, en hoopte op een gelegenheid om zijn gelijk te bewijzen. Het schijnt dat Churchill eind 1943 weigerde te spreken over een landing in Frankrijk, zoals Roosevelt en Stalin wilden. Hij vond het te vroeg om al een westelijk front te openen, en drong in plaats daarvan aan op een landing in de Balkan (aanmerkelijk verder van Berlijn dan Normandië). 

Maar misschien ben ik wat aan het uitweiden? Dan hier nog even de essentials: het was mooi weer boven Gelibolu en we aten rijst met tonijn en doperwten..

 

Foto's Gelibolu