|
nummer 53 | 28.11.03 | luang prabang | laos | pierre |
Van modderplassen, zeewier en tempeltjesmoeheid
Het is vrijdag 28 november als we rond een uur of elf uit Vientiane vertrekken. De afgelopen week hebben we heerlijk relaxed bij mijn zus doorgebracht. Zij woont sinds anderhalf jaar met haar gezin in Laos en is aardig ingeburgerd in de internationale en de Nederlandse gemeenschap in Vientiane. Tijdens de voetbaltraining van neefje Tim kwamen we in gesprek met de
ambassadeur van India en in het zwembad van de Australian Club hebben we de vrouw van de Duitse ambassadeur met ons gespetter verjaagd. Verder hebben we onze dagen echter vooral doorgebracht met een boekje lezen, flesjesvoetbal
en met memorie spelen met Tim. Hoog tijd dus voor wat actie en een laatste avontuur.
We zijn op weg naar Vang Vieng, een plaats 150 kilometer ten noorden van Vientiane. We nemen een toeristische route en komen langs een stuwmeer. De plaatsjes waar we onderweg doorheen rijden bestaan voornamelijk uit bamboe hutten en wat houten huisjes. De kippen vliegen in ieder dorp onder de wielen vandaan en we moeten regelmatig vaart minderen om een stel loslopende koeien te omzeilen. Laos is een stuk minder ontwikkeld dan wat we de laatste tijd gewend zijn. Het is één van de armste landen ter wereld en doet me erg aan Nepal denken. Het land heeft een zelfde berglandschap en een gebrekkige infrastructuur die zich daar doorheen probeert te vlechten.
We volgen
Route 13. Het is één van de weinige verharde wegen in het land en de enige noord-zuidverbinding. Naar het schijnt is ook deze weg nog maar sinds een jaar of twee verhard. Als we na een uur of vier rijden plotseling in een dorp komen waar de pizzarestaurants over elkaar heen buitelen en waar ieder terras een
televisie heeft staan die westerse films vertoont, is het duidelijk: we zijn in Vang Vieng. Net buiten het epicentrum vinden we een
rustig resort aan de rivier met bamboehutten voor een redelijke prijs. Hein en ik besluiten ieder een hut te nemen. Na ingecheckt te zijn, lopen we naar het dorp en eten we een pizzaatje. Het is echt een gek dorp: tien kilometer naar het noorden of naar het zuiden is niets te beleven, maar hier lijken alle toeristen samen te komen. Het stikt hier van de Nederlanders, Engelsen en Israëliërs. Allemaal backpackers die na Thailand
'echt' willen reizen en het ongerepte Laos komen ontdekken. Jammer alleen dat ze dan 's avonds wel een pizza willen eten onder het genot van de laatste
Hollywood-producties.
Voor het volgende traject hebben we een dilemma. Tussen Vang Vieng en Luang Prabang is vorig jaar een bus beschoten en de weg staat bekend als onveilig (mijn zus en zwager mogen er van hun werkgever niet komen). Er gaan echter hordes toeristenbussen heen en weer die de tocht iedere dag zonder problemen maken. Verder is er tijdens de onderhoudsbeurt aan onze auto iets niet helemaal goed dicht gesealed waardoor er wat olie lekt. Een klein euvel, maar zonder het juiste gereedschap moeilijk te herstellen. Terug rijden naar Vientiane kost teveel tijd, maar we kunnen er ook niet mee doorrijden. Al met al besluiten we met het openbaar vervoer verder naar Luang Prabang te reizen en ter plekke een mountainbiketoer te boeken. Aangezien we geen bus meer kunnen boeken om meteen door te rezen, hebben we onverwacht een dag in Vang Vieng. Na een blik in de Lonely Planet geworpen te hebben, is ons duidelijk dat we drie keuzeactiviteiten hebben: grotten bekijken, tuben of kajakken. Dat er mooie grotten zijn, geloven we wel en om een hele middag op een binnenband te dobberen met een pilsje in de hand, zien we ook niet zo zitten. Daarom huren we twee kajaks met gids voor een middagje op het water.
Als we op de afgesproken tijd bij het verhuurbedrijf aan komen, worden de kajaks achter in een pick-up geladen, pikken we de gids onderweg op en worden we
vijftien kilometer stroomopwaarts in de rivier gedumpt. Na de raftingtocht in Nepal voelen we ons volleerd rivierexperts. Dus als de gids ons vraagt of we weten hoe we moeten kajakken, antwoorden we volmondig
'ja'. Dat is klaarblijkelijk een hele opluchting voor de gids want zonder nog een woord te zeggen stapt hij in en peddelt onmiddellijk weg. Gelukkig is het een rustig riviertje dat erg aan de beekjes in de Ardennen doet denken en wij volgen rustig. Bij de eerste stroomversnelling blijkt echter al dat we wellicht iets te voorbarig waren. Hein probeert de baan van de gids te volgen, maar krijgt de kajak niet op tijd bijgestuurd, stoot met de punt tegen een uitstekende boomstam en begint te kapseizen. Ik had niet op een dergelijke manoeuvre gerekend en in mijn poging Hein te ontwijken, val ik ook ten prooi aan het wassende water. Ik probeer met één hand de spullen vast te houden en met de andere hand de boot te keren. Op zich zou het moeten kunnen, ware het niet dat de stroming ter plekke sterk is. Het water sleurt me tientallen meters mee, totdat ik in een rustiger gedeelte kom en tijd heb om de boot weer om te keren. Als ik om kijk, zie ik de gids meewarig zijn hoofd schudden en de eerstvolgende stroomversnelling blijft hij dicht bij ons in de buurt.
Na ongeveer een uur gevaren te hebben, komen we voorbij een paar soort picknickplaats. Er zijn een stuk of vier houten plateautjes getimmerd met een rieten dak erboven. Vanuit één van de plateautjes worden we enthousiast toegeschreeuwd en de gids maakt aanstalten om aan wal te gaan. Het blijkt een collega van hem te zijn die samen met een aantal meiden een middagje uit is. Ze hebben een grote geroosterde vis in het midden staan en een berg groenvoer ernaast. Het idee is dat je een blaadje kool pakt, er een stukje vis in stopt en het af maakt met wat ui, tomaat, komkommer, knoflook, pepertjes en boontjes of taugé. Wij worden uitgenodigd mee te doen en binnen de kortste keren schuiven we onze eigen visburger naar binnen. Om de dorst te lessen, zijn er twee flessen bier. Eén meisje is benoemd tot barvrouw en schenkt het bier uit in een klein glaasje waar iedereen op z'n beurt een slok uit mag nemen. Het is duidelijk dat er wat bier gevloeid heeft, want het gezelschap is loslippig. Alhoewel we niet kunnen verstaan wat ze zeggen, is het duidelijk dat de meisjes ons leuk vinden en er worden aardig wat toespelingen gemaakt. De collega-gids blijft continu herhalen dat we vanavond terug kunnen komen voor wat
'relaxen'.
Onze eigen gids vertrouwt ons toe dat hij vroeger alcoholicus is geweest en nu niet meer drinkt. Als alle toespelingen hem te gortig worden, kondigt hij aan dat we gaan. Met een lichte roes in het hoofd leggen we het tweede deel van de tocht af. We komen een groep
'tubers' tegen. Met z'n tienen drijven ze in een oude binnenband op de rivier. Op mijn vraag of het leuk is, antwoordt niemand echt enthousiast en ik ben blij dat ik in een kajak zit. Bij een stroomversnelling laat de gids ons zien hoe je kunt surfen op de golven. Je peddelt tegen de stroom in, maar doordat je precies op de juiste plek ligt, word je niet door het water meegesleurd. Uiteraard houdt de gids het langer vol dan wij, maar het is een leuk spelletje. Weer een poosje later houden we een wedstrijdje en met enige moeite kan ik de gids zelfs voorblijven. Snel peddelen is echter erg vermoeiend en ik ben blij als we rond een uur of vijf weer in
Vang Vieng aan komen. 's Avonds besluiten we na het eten nog een partijtje te poolen, maar de tafel is dermate scheef dat de bal net voor de pocket een mooie bocht naar links draait en compleet verkeerd uitkomt. Om en uur of negen houden we het voor gezien en we kruipen vroeg onder de wol. We laten de party's voor wat ze zijn.
Op zondagochtend vertrekken we al vroeg naar Luang Prabang. In het minibusje zitten nog drie Nederlanders en een Amerikaans stel. Al snel blijkt dat één van de drie een paar jaar geleden ook
over land van Nederland naar Kathmandu is gereisd en we raken aan de praat. De weg erheen doet me erg denken aan de bochtige bergweg tussen Hetauda en Kathmandu in Nepal. Het landschap is hetzelfde en de mensen om me heen vertonen hetzelfde gedrag: eerst stoppen ze met praten, dan worden ze een beetje bleek en als de bus dan niet snel stopt, hangen ze kotsend uit het raampje. Gelukkig stopt ons busje wel op tijd en kan de schade worden voorkomen.
Het is een uur of drie in de middag als we aan komen in Luang Prabang. De stad staat op de werelderfgoedlijst en bevat een unieke verzameling tempels. We gebruiken de zondagmiddag voor een eerste verkenning en inventariseren de mogelijkheden voor een trekking. Die blijken beperkt te zijn. Luang Prabang is nog maar kortgeleden als toeristische trekpleister ontdekt en de toeristische infrastructuur verkeert nog in de ontwikkelingsfase. Er is eigenlijk maar één serieuze aanbieder van mountainbiketochten en ook hij kan niet meer dan één fietsdag aanbieden, gecombineerd met een dag jungletrekking. Het klinkt goed en we besluiten het te doen. We willen echter eerst nog wat rondkijken in de stad en op maandag beginnen we met een wandeltocht door het historische gedeelte. Na het
Royal Museum en twee tempels hebben we het echter al wel weer een beetje gehad met het culturele erfgoed en we brengen de middag met een boek in de hand door op een terras aan de Mekong. De overige
negenhonderdnegenennegentig tempeltjes laten we voor wat ze zijn; we hebben al genoeg gezien.
Om toch nog wat cultuur op te snuiven, gaan we voor het eerst deze reis naar een cultureel evenement: we hebben kaartjes geboekt voor een optreden van het Nationaal Ballet in het
Luang Prabang Royal Theater. Als we het theater betreden, heb ik het idee dat ik het dorpshuis in mijn geboortedorp Sellingen binnenloop. In de zaal staan gewone eetkamerstoel opgesteld in twaalf rijen van tien. Het merendeel van de dertig bezoekers zit achterin. Ze hebben voor een goedkoop kaartje gekozen, net als wij. Boven in de zaal hangen enkele stalen buizen waar simpele lampen aan opgehangen zijn. Langs de kant staan enkele schemerlampen die regelrecht uit een huiskamer van 1950 lijken te komen. Het toneel is een getimmerde verhoging van
circa één meter hoog. Rechts op het podium zitten de muzikanten. Links zit een deur in de coulissen waardoor de artiesten continu zenuwachtig in en uit lopen. Het decor bestaat uit een groot wit laken en daaromheen is een roodfluwelen strook stof gedrapeerd. Het geheel doet me denken aan het
amateurtheater waar ik zelf aan mee deed in mijn tienerjaren en ik ben erg benieuwd naar wat we te zien gaan krijgen.
De voorstelling begint met muziek. Terwijl enkele muzikanten nog aan komen lopen en zich installeren, begint de rest alvast te spelen. Het is een combinatie van xylofoons, drums, bekkens en andere slagwerken. Zodra het orkest compleet is, komen er tien mooie Laotiaanse meisjes het podium op en beginnen een dans. Allemaal hebben ze een soort gouden kroon op met een spitse punt in het midden die doet denken aan het dak van de tempels. Verder hebben ze mooie sari's aan met zwarte en gouden
boorden. Terwijl ze dansen, houden ze hun handen negentig graden ten opzichte
van hun armen en maken ze sierlijke bewegingen.
Als de dames zijn uitgedanst, komt de hoofdact. Er wordt een soort koepeltentje op het podium gedragen met daarin een meisje verstopt. De tent is beschilderd en beeldt een berg uit waarop een tempel is gebouwd. Volgens het verhaal dat we op papier uitgereikt hebben gekregen, is de jongen die er met een houten stok omheen loopt en af en toe op de
'berg' slaat, een koning die betoverd is door de schoonheid van de prinses die op de berg woont. De koning heeft een groen glitterpak aan en draagt een groot masker met daarop een zelfde gouden bouwwerk als de danseressen van het vorige nummer. Iedere keer als de koning de berg aanraakt, maakt de berg een geluid. Af en toe stopt de koning met dansen en begint de verhaallezer een stuk van het verhaal te vertellen. Gelukkig had ik het verhaal al gelezen, want de akoestiek en het gebroken Engels maken dat het gemurmel moeilijk verstaanbaar is. En de muzikanten die er vrolijk doorheen babbelen, maken het niet makkelijker. Het verhaal van de prinses op de berg wordt opgevoerd in vier bedrijven. In ieder bedrijf komen er een paar andere mythische figuren bij die door de verteller worden toegelicht.
Daarna is het tijd voor de monkeyshow. Een stuk of twaalf jonge artiestjes hebben een masker op in de vorm van een aap en voeren op de maat van de muziek danspasjes uit. Waarschijnlijk doen ze het nog niet zo lang, want de bewegingen gaan niet helemaal gelijk op. Ze zijn echter enthousiast en als de show is afgelopen, buigen ze om het hardst.
Terwijl we naar buiten lopen, zie ik dat zich een groepje mensen op het bordes verzamelt. Er is nog een voorstelling van een lokale bevolkingsgroep op het grasveld voor het theater. Deze mensen zijn een stuk eenvoudiger gekleed: ze hebben een blauwe kiel aan en een rode band om hun voorhoofd gebonden. Terwijl vijf mannen en vrouwen op eenvoudige trommels slaan, beginnen drie vrouwen een dans met een waterkruik. Die worden op een krukje voor het publiek gezet en gevuld met water. Ik verwacht half en half dat we nat
gespetterd gaan worden, maar dat blijkt niet het geval. De vrouwen nemen de kruiken tussen hun tanden en tillen het ding met
vijftien liter water zo omhoog! Mijn tanden zouden er al lang uit liggen en ik sla hun uitnodiging om het ook eens te proberen dan ook snel af. Terwijl we nog op het bordes naar de lokale groep staan te kijken, zie ik de meisjes en jongens van het Royal Ballet één voor één naar buiten komen en op hun brommertjes weg scheuren. De sierlijke danseressen zijn ook maar gewoon een stel tieners met een bijbaantje.
De volgende dag haasten we ons om op tijd klaar te staan voor de mountainbiketrektocht, maar als we ons om
half negen bij de receptie melden, blijkt dat er nog vier Amerikanen meegaan en dat we daarom pas om
half tien vertrekken. Het zijn drie mannen en een vrouw die als overeenkomst hebben dat ze vrijgezel zijn en ooit een reis hebben geboekt bij het
vrijgezellenreisbureau van Robin, de vrouw van het gezelschap. Naast de vier
Amerikanen en ons tweeën, bestaat het gezelschap uit een gids en een hulpgids.
Als we net de stad uit zijn en de eerste zandweg zijn ingeslagen, maant de gids ons al te stoppen. We zijn in het
zijdeweversdorp aangekomen. We parkeren voor een grote hal waar vrouwen achter kramen met zelfgemaakte souvenirs zitten. Naast een paar zijden sjaals en kussenhoezen ligt het vol met houtsnijwerk en andere dertien-in-een-dozijn-souvenirs. Voor de vorm kruipt één van de vrouwtjes nog snel achter het weefgetouw, maar het heeft niet veel effect. Geen van ons voelt de aandrang om iets te kopen en tien minuten later zitten we weer op de fiets.
Weer een half uurtje later komen we via een onverharde weg bij het tweede dorp aan. Het is verbazingwekkend hoe snel je vanuit het redelijk ontwikkelde Luang Prabang in zo'n landelijk dorpje kunt komen. Het dorp bestaat uit een verzameling bamboe en houten hutten. De vrouwen gaan traditioneel gekleed en kinderen lopen naakt rond. Naast wat landbouw verdienen de mensen hun geld hier met het vlechten van manden en het drogen van zeewier. Het wier wordt uit de rivier gevist en op bamboe rekjes te drogen gelegd. Voor de smaak wordt er sesamzaad, tomaat of stukjes ui aan toe gevoegd. Als het droog is, wordt het als een dun velletje bij de maaltijd geserveerd, net zoals wij kroepoek bij de rijst eten. De Amerikanen ontpoppen zich als prototype toerist en maken foto's van alles wat voor de lens komt. Jonge kindjes en oude vrouwtjes worden zonder scrupules op de foto gezet onder het uitroepen van de kreet 'That's a National Geographic!' (waarbij de 'a' van 'geographic' langgerekt wordt uitgesproken). Ze lopen zonder een woord te zeggen naar het onderwerp van de foto toe, houden de camera voor de neus, knippen een foto en lopen door naar het volgende onderwerp. Ik voel af en toe een plaatsvervangende schaamte en ben blij dat ik geen camera bij me heb.
Al met al wordt het duidelijk dat we vandaag vooral moeten afzien op het culturele vlak en niet zozeer op het fysieke vlak. Als we al eens een keer weer een flink stuk moeten rijden, zijn de Amerikanen dermate sloom dat ik het op mijn sloffen kan doen. Gelukkig heeft de hulpgids er ook wel zin in en af en toe fiets ik met hem in mijn spoor een flink stuk vooruit. Al te ver durf ik echter niet te gaan, want voor je het weet missen we een afslag en moeten we het hele eind terug fietsen. Voor de hulpgids is het ook de eerste keer, dus je weet nooit of hij de weg wel weet. Als we via een smal paadje naar de rivier afdalen, komen we op een ruw pad langs de rivier. Het lijkt me een mooie track en ik rij een heel eind vooruit. Af en toe moet ik me bukken voor laaghangende takken en soms liggen er dikke keien op het pad, maar het is goed te doen. Als ik omkijk, zie ik echter niemand achter me en ook na een poosje gewacht te hebben, ben ik nog steeds alleen. Als ik een stukje terugrij, wordt duidelijk dat we alleen maar naar beneden gecrost zijn om het graf van
Henri Mouhot te bekijken, de ontdekker van Anchor Wat in Cambodja.
Na het verplichte fotootje gaat de route terug naar de hoofd(zand)weg en rijden we door naar het volgende dorp. Daar houden we een lunchstop en eten we de meegebrachte sandwiches op. Voor de lokale jeugd zijn we een bezienswaardigheid en in ruil voor een stukje chocoladereep gaan ze graag op de foto voor de Amerikanen. Meteen na de lunch komen we bij een rivier. Die is te breed om zelf over te steken, en er wordt een boot gecharterd om eerst de fietsen en dan ons naar de overkant te brengen. De boot is van het type uitgeholde boomstam en het voelt alsof we ieder moment kunnen kapseizen. Zonder al te veel problemen bereiken we echter de overkant en we zetten onze tocht voort.
Het terrein wordt wat steiler en we moeten van tijd tot tijd flink klimmen. Hein en ik slaan een groot gat en rijden een heel eind vooruit. Zoals het met alle bergen gaat, eindigt ook deze klim in een mooie afdaling. Aan het eind van de helling ligt een mooie modderplas en ik blaas er met volle snelheid doorheen. Een jochie langs de kant staat even perplex, maar begint dan opgewonden te juichen. Achter me hoor ik Hein roepen dat hij daar en foto van wil. Aangezien we ver uitgelopen zijn, hebben we wel even de tijd en ik fiets langzaam weer omhoog om voor de tweede keer af te dalen. Hein zit klaar met de camera. Ik rij voor de tweede keer door de plas en het water vliegt me om de oren. Een spontaan 'Yiehaaa' wordt gesmoord in een flinke slok water. Als ik me omdraai, zie ik aan Heins gezicht dat ik het nog een keer zal moeten doen: hij was te laat met drukken. Ik ben ondertussen al helemaal doorweekt, maar ja, twee keer door een plas rijden en geen foto hebben is ook zo wat, dus ik klim opnieuw naar boven om de spectaculaire afdaling te maken. Gelukkig heeft Hein nu een beetje gevoel voor de timing en terwijl ik druipend naast hem sta, laat hij hét plaatje zien. Je ziet me met een strak gezicht door een fontein van modder rijden en de plas water zuigt zich langs mijn benen omhoog. De fiets is volledig verdwenen achter de opspattende modder en je ziet alleen mijn oranje T-shirt en blauwe helm. Dit is het plaatje waar ik het voor deed.
Foto's trekking in Luang Prabang
De rest van de middag is een stuk minder spectaculair en aan het eind van de middag komen we aan in het dorp waar we zullen overnachten. Bij het huis aangekomen, wordt duidelijk dat het een Spartaanse nacht gaat worden. Het is een redelijk groot huis dat bestaat uit één grote ruimte met daaraan vast twee kleine kamertjes van amper twee bij twee. Op de vloer ligt een roze-bruin stuk zeil met grote bloemen erop. Afgezien van een tafeltje en acht kleine stoeltjes is het vertrek leeg. Op het tafeltje ligt hetzelfde zeil als op de grond. Aan de wand hangt en elektrische ventilator en een grote klok. Aan de andere kant van de kamer is nog een ruimte. Op de grond staan wat potten en pannen en een paar grote gasbranders. Als ik naar binnen kijk, zie ik dat de muur aan de kant van de tuin ontbreekt. Zo kunnen ze het groenteafval rechtstreeks naar de varkens gooien. Die lopen luid te schreeuwen in de tuin achter het huis. De tuin is afgezet met een bamboe schutting, bedoeld om de rondscharrelende kippen binnen te houden. Helemaal achterin is een golfplaten afdakje gebouwd boven een gat in de grond: het toilet.
In één van de kamertjes staan onze tassen en liggen een paar flinterdunne campingmatjes. Het is de bedoeling dat wij met die dunne matjes in de grote kamer op de harde houten vloer gaan slapen. Het is duidelijk dat dit geen comfortabele nacht zal worden. Ik heb al twee dagen last van een stijve nek en dat zal door een hare houten vloer en de afwezigheid van kussens niet veel beter worden.
Het is echter nog lang geen bedtijd, en we gaan ons eerst maar eens wassen. Het huis heeft geen douche of iets dergelijks en geheel in lijn met de plaatselijke traditie gaan we naar de rivier om ons te wassen. We vormen wederom een attractie voor de plaatselijke bevolking en onder toeziend oog ontdoe ik me van de belangrijkste modderspetters. Terug bij het huis heeft de gids ondertussen een maaltijd klaargemaakt en eet ik voor het eerst zeewier uit de Mekong met sesamzaad: het is best lekker. Na het eten haal ik mijn laptop tevoorschijn en download ik onze eigen foto's en die van de Americano's. Samen met de gidsen bekijken we de spectaculaire beelden van de mountainbiketocht. Als ik alle foto's heb laten zien, kunnen we het niet langer ontwijken en zoeken we de harde vloer op. De nacht is een verschrikking. Ik ben een groot deel van de nacht wakker en iedere keer als ik me wil omdraaien, moet ik mijn hoofd ondersteunen om te voorkomen dat het écht zeer doet. Pas tegen de ochtend val ik in slaap, maar zodra het licht wordt, beginnen de hanen en de varkens al lawaai te maken en is het tijd om op te staan.
Na het ontbijt begint de jungletrekking. Er is even wat verwarring onder de Americano's als de gids ze vraagt hun slaapzak en matje in de rugzak te stoppen. Ze hebben een tocht geboekt met volledig bagagevervoer en zijn niet van plan zelf iets te dragen. Aangezien hun volgende overnachtingsplek echter niet per auto bereikbaar is, zal het er toch heen gedragen moeten worden. Uiteindelijk wordt besloten dat de hulpgids alles in z'n rugzak propt en rechtstreeks naar het dorp loopt. Hij vertrekt met
een zware uitpuilende zak op z'n rug. Onze gids is zichtbaar ontstemd over de gang van zaken en loopt chagrijnig voor ons uit. Wij laten hem maar een beetje en genieten vooral van de omgeving. Die is echt mooi. We lopen oor verschillende groene valleien en hebben uitzicht op een paar mooie bergtoppen.
Als we een dorpje naderen, zie ik een meisje van het veld af rennen en voor ons uit naar het dorp spurten. Zoals te verwachten, staat ze ons even later met een zelf geborduurd polsbandje op te wachten. Voor vijftig eurocent mogen we het kopen. Het jonge meisje wordt al omringd door andere vrouwen die ook armbandjes uit hun
beha trekken en ons te koop aan bieden. Nadat het oudste vrouwtje de polsbandjes simpelweg om de polsen begint te binden, worden de beursen getrokken en drie polsbandjes rijker lopen we weer verder. Aan het eind van de dag komen we bij het dorp waar de Americano's gaan overnachten. Hein en ik hebben een tweedaagse tocht geboekt en moeten nog een uurtje doorlopen naar het rendez-vouspunt waar we worden opgehaald. Zonder de Americano's gaat het vlot en binnen een uur zijn we op de plaats van bestemming. Er staan een pick-up klaar, maar we moeten nog even wachten op de chauffeur. Die komt even later aangelopen met een paar vogelvallen in de hand. Als ik vraag of hij nog wat gevangen heeft, haalt hij glimlachend twee kleine zangvogeltjes uit zijn borstzak tevoorschijn:
'Voor mijn dochter…'.
's Avonds in Luang Prabang gaan we ter ere van mijn verjaardag uit eten en drinken we een paar glazen wijn. Als we een tijdje later de drie Nederlanders tegenkomen met wie we in het minibusje zaten, gaan we gezamenlijk nog even wat drinken. Eén van hun drieën is ook jarig en gezamenlijk proosten we op onze verjaardagen. Het wordt echter geen groot feestje, want ik ben behoorlijk moe na twee dagen jungle; is dat normaal als je dertig bent?!
Donderdag is de laatste dag in het noorden. Nadat we flink hebben uitgeslapen, hebben gebruncht en een busticket voor de terugreis hebben geregeld, voelen we de verplichting om nog iets te gaan bekijken. Bijna iedere tuktukchauffeur biedt een tochtje naar de plaatselijke grotten en de
Kwang Xi waterval aan. Van verschillende mensen hebben we gehoord dat de grotten niet zo spectaculair zijn, maar dat de waterval wel de moeite waard is. Dus charteren we om twee uur 's middags nog een tuktuk om ons erheen te brengen. Hij waarschuwt ons dat het een uurtje rijden is, maar vertelt er niet bij dat de weg alleen de eerste paar kilometer verhard is. Terwijl we achterin zitten te schudden, vraag ik
mij af waarom we dit doen. We hebben al genoeg van die stoffige wegen door lokale dorpjes gezien en ik ben ook niet echt meer onder de indruk van het uitzicht op de bergen. Eenmaal aangekomen, moeten we eerst langs alle souvenirkramen lopen voordat we beneden bij de waterval staan. Het is inderdaad wel een mooie waterval, maar hij voegt weinig toe aan al die andere watervallen die ik al gezien heb. We hadden ons echter voorgenomen om aan het water een boekje te lezen, dus we begeven ons naar boven toe waar je goede zwempoelen zou hebben. Na een half uur klimmen staan we boven en zien we iets lager inderdaad een perfecte poel. We hebben echter geen zin om nog verder te klimmen en Hein besluit een duik te nemen. De duik wordt nog uitgebreid met een fotosessie, we lezen wat en dan is het alweer tijd om terug te gaan. Het is duidelijk: Hein en ik hebben het beiden gehad met toeristische attracties en we zijn niet meer geïnteresseerd in de plaatselijke culturele en natuurlijke bijzonderheden. De tempeltjesmoeheid heeft definitief toegeslagen. Het wordt tijd om naar huis te gaan.